Financiële positie

In dit hoofdstuk staan we uitgebreid stil bij onze financiële positie. Dat doen we aan de hand van de volgende onderwerpen:

  • financiële kaders en uitgangspunten
  • huidig financieel beeld
  • financiële ontwikkelingen en risico’s
  • reservepositie

Samenvatting en conclusies

Financiële uitgangspunten
In het coalitieakkoord ‘Durven door te doen’ is gekozen voor een solide financieel beleid met sluitende meerjarenbegrotingen. Er is gekozen voor stabiliteit. We willen kansen benutten als deze zich voordoen. Daarvoor reserveren we ook geld. We vermijden extra bezuinigingen zoveel mogelijk.

Specifieke kaders zijn:

  • Geen automatische prijscorrectie van budgetten.
  • Voor subsidies gaan we uit van alleen een compensatie van loonstijging op basis van de specifieke CAO-ontwikkeling per sector. Dit betekent dat niet-professionele instellingen aan de nullijn gehouden worden.
  • Voor de OZB kiezen we voor een jaarlijkse inflatieverhoging. Voor het jaar 2017 is dat 2%.
  • Voor de tarieven van rioolheffing en afvalstoffenheffing gaan we uit van 100% kostendekkendheid.
  • De rekenrente stellen we in principe vast op 2%. Op basis van landelijke verslagleggingsvoorschriften voor onze begroting gebruiken we voor de grondexploitaties een lager percentage. Het percentage koppelen we aan het gewogen gemiddelde van de werkelijk betaalde externe rente. Voor ons is dit ongeveer 1,5%.
  • In de begroting zit jaarlijks een post onvoorzien van € 300.000.

Huidig financieel beeld

  • Op dit moment wordt de structurele financiële ruimte grotendeels bepaald door de meicirculaire. De huidige financiële positie sluit in 2018 met een overschot van € 1,5 miljoen. In het laatste begrotingsjaar 2021 is dit overschot € 1,1 miljoen structureel en € 1,3 miljoen incidenteel.
  • De reservepositie ontwikkelt zich positief. Binnen de algemene reserve is sprake van een financiële ruimte van € 4 miljoen (inclusief de gelden die daarin specifiek gereserveerd zijn voor jeugdzorg en beschermd wonen).

Financiële ontwikkelingen en risico’s

  • We hanteren het uitgangspunt dat risico’s in het sociaal domein in principe binnen het betreffende beleidsveld (jeugdzorg, Wmo, Participatiewet) opgevangen worden. Dit voor zover dat maatschappelijk verantwoord is. In de begroting 2017 hebben we besloten om een landelijke korting van jaarlijks € 0,5 miljoen voor jeugd niet door te vertalen naar onze eigen budgetten.
  • We handhaven het uitgangspunt dat we geld van het Rijk voor het sociaal domein hiervoor reserveren. Als dat mogelijk en haalbaar is gaan we wel over op het 'ontschotten' van de budgetten van de verschillende onderdelen hierbinnen (overschotten op een onderdeel kunnen we dan bijvoorbeeld inzetten om tekorten op een ander onderdeel op te vangen).
  • De risico’s binnen de grondexploitaties blijven actueel hoewel voor diverse projecten verliesvoorzieningen/risicoreserves gevormd zijn. De algemene bedrijfsreserve van het grondbedrijf is ongeveer € 0,6 miljoen te laag ten opzichte van de minimale ondergrens van € 1 miljoen. De algemene reserve vormt de achtervang hiervoor.

1. Inleiding

De meerjarige vooruitzichten voor Oss worden voor een groot deel bepaald door de ontwikkeling van de economie en de rijksuitgaven. De Nederlandse economie vertoont volgens het Centraal Planbureau (CPB)
robuuste groei. Het CPB heeft in maart 2017 berekend dat de economische groei dit jaar aantrekt tot 2,1% en volgend jaar tot 1,8%. De economische groei gaat samen met een verdere daling van de werkloosheid naar 4,9% dit jaar. De inflatie loopt onder invloed van de hogere energieprijzen op naar 1,6% dit jaar en 1,4% volgend jaar.
Het effect van de hogere loon- en prijsontwikkeling zien we ook terug in hogere inkomsten uit het gemeentefonds.

2. Financiële kaders en uitgangspunten

In het coalitieakkoord ‘Durven door te doen’ is gekozen voor een solide financieel beleid met sluitende meerjarenbegrotingen. Er is gekozen voor stabiliteit. Deze stabiliteit is gekoppeld aan een gematigde lastendruk voor inwoners en bedrijven. In het coalitieakkoord is ook aangegeven dat we kansen willen benutten als deze zich voordoen en hiervoor ook extra middelen voor willen reserveren. Extra bezuinigingen vermijden we zoveel mogelijk.
Tegen deze achtergrond gelden de volgende algemene financiële kaders en uitgangspunten:

  • Structurele uitgaven dekken we met structurele inkomsten. Tussentijdse beperkte, niet-structurele, tekorten zijn aanvaardbaar als deze uit reserves afgedekt kunnen worden.
  • Incidentele uitgaven kunnen we dekken met incidentele middelen, bijvoorbeeld reserves.
  • We beperken financiële risico’s zoveel mogelijk. In de jaarrekening dekken we concrete risico's af met voorzieningen, conform bestaand beleid.
  • Landelijke bezuinigingen op beleidsvelden vertalen we in principe door naar de specifieke beleidsvelden en budgetten (voor zover mogelijk en maatschappelijk verantwoord).

Meer specifiek gelden de volgende kaders:

Prijsontwikkeling
Het CPB verwacht in 2018 voor de overheidsuitgaven een prijsontwikkeling van 1,6% (prijs overheidsconsumptie netto materieel). Voor de loonontwikkeling gaan ze uit van 2,4% (prijs overheidsconsumptie beloning werknemers). In de jaarlijkse meicirculaire van het gemeentefonds krijgen gemeenten in principe geld voor de verwachte loon- en prijsontwikkeling. Vanuit de meicirculaire zetten we daarom de noodzakelijke bedragen apart om loon- en prijsstijgingen op te kunnen vangen. In de begroting 2018 verhogen we de budgetten niet automatisch voor prijsstijging. We hanteren het beleid van geen prijscompensatie, tenzij dit contractueel afgesproken is of de marktprijzen voor bepaalde kosten/werkzaamheden aantoonbaar gestegen zijn.

Gesubsidieerde instellingen
Bij gesubsidieerde professionele instellingen is in zijn algemeenheid sprake van een 80/20-verhouding tussen het loongevoelige en prijsgevoelige deel van de uitgaven. Voor de compensatie van loonstijging gaan we uit van de specifieke CAO-ontwikkeling per sector. Voor reguliere prijscompensatie hanteren we de nullijn. Dat doen we ook voor de niet-professionele instellingen.

Gemeentelijke belastingen en heffingen
Voor de lastendruk is het uitgangspunt dat deze voor inwoners en bedrijven gematigd blijft. Voor de onroerende zaakbelasting (OZB) stellen we voor het volgende kader te hanteren:

  • Voor de jaren 2018-2021 de OZB-opbrengst verhogen met de prijsontwikkeling. Met als uitgangspunt een 50/50-verhouding tussen het loongevoelig en het prijsgevoelig deel van de gemeentelijke uitgaven verwachten we voor 2018 een gemiddelde inflatie van 2%. Hiervoor gebruiken we inflatiecijfers van het CPB die specifiek gericht zijn op de kostenontwikkeling van gemeenten, namelijk prijsontwikkeling overheidsconsumptie netto materieel en beloning werknemers);
  • De tarieven voor rioolheffing en afvalstoffenheffing zijn in principe kostendekkend.

Post onvoorzien
In de begroting hebben we een jaarlijkse post onvoorzien van € 300.000 opgenomen. Dit bedrag kan door het college gedurende het jaar ingezet worden voor incidentele tegenvallers. Criteria daarvoor zijn:

  • onuitstelbaar
  • onvermijdbaar
  • onvoorzienbaar

De verantwoording van de inzet van deze post nemen we op in de reguliere planning- en controldocumenten.

Rekenrente
De landelijke voorschriften voor het berekenen van rente in de begroting en jaarrekening zijn per 1 januari 2017 aangepast. Voor 2018 leidt dit in principe tot de volgende rentepercentages:

  • Percentage voor reguliere investeringen: 2%. Dit is gebaseerd op de zogenaamde 'renteomslag' waarbij alle rentekosten over de investeringen verdeeld worden.
  • Percentage voor grondexploitaties: 1,5%. Dit is gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de rentekosten van de gelden die we daadwerkelijk geleend hebben. In de jaarrekening moeten we uitgaan van de werkelijke rentekosten en -percentages.
  • Percentage voor rentebijschrijving op algemene reserves en reserves voor investeringen: 2%. Dit percentage is gekoppeld aan het gemiddelde percentage van gelden die we daadwerkelijk geleend hebben.

Voor de programmabegroting 2018-2021 actualiseren we deze percentages, mede op basis van landelijke voorschriften.

3. Huidig financieel beeld

Samenvattend

Het huidige financiële beeld is voor de periode 2017-2021 positief. De huidige financiële positie sluit in 2017 met een overschot van € 1,8 miljoen. In het laatste begrotingsjaar 2021 is dit overschot € 2,4 miljoen, waarvan € 1,3 miljoen incidenteel is. Dit overschot wordt voornamelijk veroorzaakt door de meicirculaire.

Binnen de algemene reserve is er incidentele begrotingsruimte van € 4 miljoen.

3.1 Structurele begrotingsruimte

Het financieel beeld wordt bepaald door:

  • De meerjarenraming van de programmabegroting 2017-2020.
  • De uitkomsten van de meicirculaire 2017.
  • Incidentele financiële ruimte door de vrijval van stelpost groot onderhoud
  • 3O-ontwikkelingen vanuit de eerste financiële tussenrapportage over 2017 (met focus op doorwerking vanuit de jaarrekening).
  • 3O-ontwikkelingen die pas bij het maken van de programmabegroting 2018-2021 bekend zijn.

In de volgende tabel hebben we de uitkomsten samengevat.

+ is nadeel: hogere uitgaven/lagere inkomsten
- is voordeel: lagere uitgaven/hogere inkomsten
bedragen x € 1.000

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

Programmabegroting 2017-2020

1.717

-1.360

-1.193

-434

-524

Onttrekking uit algemene reserve

-1.717

Incidentele vrijval stelpost groot onderhoud

-1.421

-1.341

Meicirculaire 2017

-858

-758

-1.007

-933

-1.053

Eerste financiële tussenrapportage 2017

-974

601

594

476

476

Financieel kader

-1.832

-1.517

-1.606

-2.312

-2.442

Conclusie hieruit is dat de financiële ruimte bij de kadernota als volgt is:

  • In 2017, 2018 en 2019 is de jaarlijkse ruimte respectievelijk € 1,8 / € 1,5 en € 1,6 miljoen;
  • In 2020 is de ruimte in totaal € 2,3 miljoen, waarvan €1,4 miljoen incidenteel is.
  • In 2021 is de ruimte in totaal € 2,4 miljoen, waarvan €1,3 miljoen incidenteel is.

Toelichting op de tabel

Programmabegroting 2017-2020
Bij de begrotingsbehandeling in november 2016 is de meerjarenraming vastgesteld. Dit leidde tot een negatief resultaat van € 1,7 miljoen voor 2017. Dit bedrag is onttrokken uit de algemene reserve.
De begrotingsjaren 2018 tot en met 2020 zijn positief. In de jaren 2018 en 2019 zijn de saldi € 1,4 miljoen en € 1,2 miljoen. Het laatste jaar kent een structureel overschot van € 524.000.

Incidentele vrijval stelpost groot onderhoud
In de begroting 2017 zijn belangrijke veranderingen doorgevoerd in de verslagleggingsvoorschriften. Eén van de veranderingen van het BBV is dat we investeringen in de openbare ruimte voortaan moeten activeren. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld investeringen in wegen, parken en openbare verlichting. Tot dan toe brachten we deze investeringen via het integraal uitvoeringsprogramma openbare ruimte (IUP) meteen ten laste van de exploitatie. Dat mag niet meer. Het onderdeel investeringen gaan we activeren. Dit betekent dat we de lasten over meerdere jaren verspreiden. De lasten berekenen we op basis van de verwachte levensduur. Het activeren van de investeringen in de openbare ruimte levert incidentele voordelen op. In het jaar 2020 is er nog een voordeel van afgerond € 1,4 miljoen. Dit bedrag hebben we in de programmabegroting 2017- 2020 op een stelpost gezet. Deze ruimte is in de jaren erna namelijk nodig om de stijgende kapitaallasten op te kunnen vangen. Deze stelpost bouwen we in de jaren na 2020 geleidelijk af, waarna er in 2021 nog een stelpost blijft staan van € 1,3 miljoen.
Deze ruimte is incidenteel beschikbaar voor eenmalige uitgaven.

Meicirculaire 2017
Samengevat is de uitkomst van de meicirculaire als volgt:

+ is nadeel: hogere uitgaven/lagere inkomsten
- is voordeel: lagere uitgaven/hogere inkomsten
bedragen x € 1.000

2017

2018

2019

2020

2021

Meicirculaire 2017

-162.009

-163.153

-163.090

-162.836

-163.003

Septembercirculaire 2016

-162.786

-163.277

-163.077

-162.687

-162.687

Saldo

777

124

-13

-149

-316

Totaal af te zonderen

-1.635

-882

-994

-784

-737

Netto ontwikkeling

-858

-758

-1.007

-933

-1.053

De meicirculaire van de algemene uitkering uit het gemeentefonds laat ten opzichte van de septembercirculaire in 2017 een daling van € 0,8 miljoen zien. Vanaf 2021 is er een stijging van € 0,3 miljoen.
Hiervan moeten we diverse bedragen afzonderen voor specifieke onderwerpen. In deze concrete situatie moeten we verlagingen van rijksgelden ook doorvoeren in onze eigen budgetten. Als we daar rekening mee houden hebben we in 2017 een overschot van afgerond € 0,9 miljoen. Voor de jaren daarna gelden de volgende overschotten:

  • 2018: € 0,8 miljoen positief
  • 2019: € 1,0 miljoen positief
  • 2020: € 0,9 miljoen positief
  • 2021: € 1,1 miljoen positief

De algemene uitkering stijgt vooral door hogere rijksuitgaven door hogere prijs- en loonontwikkeling dan eerder ingeschat ("samen de trap op"). In bijlage 1 hebben we een uitgebreide toelichting op de uitkomsten van de meicirculaire opgenomen.

Effecten eerste financiële tussenrapportage 2017
Op basis van de eerste financiële tussenrapportage 2017 verwachten we in 2017 een positief resultaat van circa € 974.000. Belangrijke oorzaken hiervan zijn:

  • Vrijval van diverse reserves als gevolg van gewijzigde verslagleggingsvoorschriften investeringen openbare ruimte: € 1,7 miljoen;
  • Stijgende kosten bijzondere bijstand: € 0,3 miljoen;
  • Afrekening kosten jeugdzorg over 2016: € 0,1 miljoen;
  • Extra kosten procedure mestfabriek en onderzoeken nachtspoor: € 0,2 miljoen.

Voor de jaren erna verwachten we een structurele kostenstijging van € 476.000. De structurele kostenstijging wordt vooral veroorzaakt door de stijgende kosten van bijzondere bijstand ter hoogte van € 0,4 miljoen.

Voor een nadere toelichting verwijzen we naar de afzonderlijke rapportage.

3O-ontwikkelingen programmabegroting 2018-2021
Na de vaststelling van de kadernota gaan we de programmabegroting 2018-2021 opstellen. Daarbij kijken we naar alle producten van de begroting. Dit zal op onderdelen tot bijstellingen leiden, in positieve en negatieve zin.

3.2 Incidentele begrotingsruimte

De incidentele begrotingsruimte wordt vooral bepaald door de ruimte binnen de algemene reserve. Het meerjarenbeeld van de algemene vrije reserve ontwikkelt zich naar een bedrag van afgerond € 20 miljoen (inclusief saldobestemming jaarrekening 2016). Ten opzichte van de minimale norm van € 16 miljoen betekent dat er binnen deze reserve ongeveer € 4 miljoen ruimte zit.
Dit bedrag is inclusief onderdeel van de saldobestemming waarbij € 1 miljoen specifiek is gereserveerd voor transformatie jeugd en € 1,4 miljoen voor beschermd wonen.

4. Financiële ontwikkelingen en risico's

In deze paragraaf beschrijven we een aantal belangrijke financiële ontwikkelingen.

Ontwikkeling gemeentefonds
Deze kadernota is gebaseerd op de meicirculaire van het Rijk. In deze circulaire zitten nog niet de effecten die volgen uit een de nieuwe kabinetsformatie. De circulaire is daarom redelijk beleidsarm. De programmabegroting wordt jaarlijks gebaseerd op de septembercirculaire. Gezien landelijke ontwikkelingen is het de vraag of hierin wel de effecten van de nieuwe kabinetsformatie duidelijk worden.

Een belangrijke post die nu in het gemeentefonds zit, is de zogenaamde opschalingskorting. In het vorige regeerakkoord is opgenomen dat het Rijk streeft naar minder en grotere gemeenten. De gedachte vanuit het Rijk is dat de beoogde opschaling van gemeenten leidt tot besparingen die ontstaan door schaalvoordelen, verminderen van toezicht, vereenvoudiging van regelgeving en minder dubbeling van taken. De besparing gaat uit van een daling van het aantal gemeenteambtenaren doordat gemeenten groter worden of met elkaar gaan samenwerken. Dit leidt tot een steeds grotere korting op het gemeentefonds. In totaal is voor deze operatie een structurele bezuiniging van € 975 miljoen opgenomen (2025), dit betekent voor ons een bedrag van circa € 4,8 miljoen. De VNG maakt zich al langere tijd hard om deze opschalingskorting van de baan te krijgen.

Verruiming gemeentelijk belastinggebied
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) pleit al langere tijd voor een lokaal belastinggebied dat qua omvang beter past bij de steeds grotere hoeveelheid taken en verantwoordelijkheden van gemeenten. Zij hebben dit nadrukkelijk ingebracht in de kabinetsformatie. Gemeenten zijn nu voor een belangrijk deel van hun inkomsten afhankelijk van uitkeringen door het Rijk. Ondanks ingenieuze verdeelsleutels blijkt het niet mogelijk om de financiële middelen volledig aan te laten sluiten op de gemeentelijke taken. Een eigen belastinggebied van voldoende omvang is dan ook van groot belang om als gemeenten de vele taken waar te kunnen maken. Daarnaast biedt een eigen belastinggebied de gemeenteraad betere mogelijkheden om keuzes te maken en verantwoording aan de kiezers af te leggen. Wij volgen deze landelijke ontwikkelingen en zullen u hierover informeren.

Voor een inzicht in de belangrijkste risico's wordt verwezen naar de risicoparagraaf in de jaarrekening 2016.

5. Reservepositie

De volgende tabel geeft een overzicht van onze reservepositie op basis van de jaarrekening 2016. Hert zijn de bedragen inclusief resultaatbestemming.

bedragen x € 1.000

Omschrijving

1-1-2017

Algemene reserves:

- Algemene vrije reserve

20.624

- Algemene bedrijfsreserve grondbedrijf (ABR)

440

Reserves ter dekking van de begroting

24.041

Reserves ter dekking van afschrijvingslasten

21.327

Vrije bestemmingsreserves

42.002

Totaal

108.434

Korte toelichting

Algemene vrije reserve
De algemene vrije reserve is bedoeld voor de opvang van algemene risico’s en fluctuaties in de rekeningresultaten. De norm voor de algemene reserve is 10% van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Op basis van de begroting 2017 is deze norm afgerond € 16 miljoen. Dit is te splitsen in:

  • risico's gekoppeld aan reguliere begroting: € 8,5 miljoen
  • risico's gekoppeld aan sociaal domein: € 7,5 miljoen

Voor een overzicht van de algemene reserve verwijzen we naar bijlage 2.

Algemene bedrijfsreserve grondbedrijf (ABR)
Het grondbedrijf dekt conjuncturele risico’s af met de algemene bedrijfsreserve. Deze reserve dient als weerstandsvermogen voor het grondbedrijf. De minimale ondergrens van de ABR is € 1 miljoen. Dat bedrag moet beschikbaar blijven, ook in het meest negatieve scenario. Bij dit negatieve scenario gaan we uit van de fictie dat alle winstnemingen 50% lager uitvallen. Dit percentage is een combinatie van het vertragen van de verkoop en lagere grondprijzen. Op basis van het negatieve scenario zou de ABR in 2021 uitkomen op € 3,4 miljoen. Dat is dus € 2,4 miljoen boven de minimale omvang. De ABR is dus op dit moment € 0,6 miljoen te laag. Dat betekent dat de algemene reserve als achtervang dient voor het opvangen van de conjuncturele risico’s.

Reserves ter dekking van de begroting
Hieronder vallen twee reserves (uitkering Maaslandgas en depositie BNG) waarvan jaarlijks een bedrag wordt ingezet om de begroting sluitend te maken. Het bedrag wat ingezet wordt, wordt jaarlijks afgebouwd. De reserves zijn hierdoor niet vrij te besteden.

Reserves ter dekking van afschrijvingslasten
De inzet van deze reserves is gekoppeld aan investeringen in het verleden. Dit betekent ook dat deze niet meer vrij besteedbaar zijn.

Vrije bestemmingsreserves
Vrije bestemmingsreserves zijn reserves waar in principe nog bestedingsmogelijkheden zijn. In bijlage 3 hebben we een overzicht van de grootste bestemmingsreserves opgenomen. Deze reserves geven een beeld van de incidentele investeringsruimte in de komende jaren.